(2008)
de jaargetijden schijnen mij zo helder toe
als uit een vorig bestaan:
de lente, zij trappelt en is zonder geduld
zij staat klaar om te nemen, wat haar bladeren
doet groeien, de bloemen pronken met hun pracht
en ze blijkt tijdloos, voor wie haar weet te vangen
de zomer siddert, haast onaangenaam, ze brandt
en neemt alles mee in haar doordringende kleuren
haar geuren, en ze spreekt roekeloos toe,
zo nietsontziend schept het licht der zomerzon
de sierlijke trots die de wereld kleurt
zo onschuldig schenkt zij ons vreugde
en vergankelijkheid, zilveren vervulling
daarna de herfst; gouden onthulling,
zij volgt dapper en ontdoet zich van de waan
van de pracht en praal die is ontstaan,
zij went aan haar naaktheid, de helderheid..
de onstuimigheid die is vergaan
ze stijgt op uit het koortsachtig verlangen
dat in de luisterrijke schoonheid
van de zomer zat gevangen.
en de winter, zij doorziet in haar stille glorie
en haar haast onzichtbare kalmte
al dat is vergaan, dat moest vergaan
al dat is geschonken.
zij ontnevelt de laatste nevels,
en bereidt ons voor op wat komen gaat,
bereidt ons voor op een nieuw soort lente,
- want in de stilte weerklinkt het laatste seizoen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten